November was in de kerk een bijzondere een bijzondere maand. Op 23 november was het Eeuwigheidszondag. Op deze zondag herdachten we de gemeenteleden die het afgelopen kerkelijke jaar overleden zijn. Eeuwigheidzondag is de laatste zondag van het kerkelijke jaar. Je zou 23 november 2025 dus de oudejaarsdag van de kerk kunnen noemen.

Oudejaarsdag valt in de kerk vroeg, in ieder geval vroeger dan op de reguliere kalender. 31 december valt na de langste nacht, de kortste dag. Er schijnt dan weer meer licht dan een paar dagen terug. In de kerk vieren we oudejaarsdag voordat de donkerste dag nog moet komen. Ergens vind ik dit prachtige symboliek. De langste nacht moet nog komen, het wordt steeds donkerder. Dat gevoel roept de huidige situatie in de wereld soms ook op. Hoe donker moet het nog worden, voordat het weer wat lichter wordt? Hoeveel oorlogen, hoeveel doden zijn er nog nodig, voordat er weer licht door de tunnel schijnt? Zelfs voor de grootste optimisten onder ons is het vaak zoeken naar een spoor van licht…
Toch gingen wij op 23 november, op die liturgische oudejaarsdag, in de kerkdienst op zoek naar licht. We eindigden het kerkelijke jaar niet in mineur, want het Licht was volop aanwezig. Dat zagen we al toen we de kerk binnen kwamen lopen: het licht van de paaskaars brandde. Later in de dienst werden de namen genoemd van de gemeenteleden die het afgelopen jaar overleden zijn. Voor elk van hen werd een lichtje aangestoken. Dit licht kwam van de paaskaars. Dit is een diep symbolisch gebaar. De paaskaars is een herinnering aan Pasen. Het licht is het symbool van de opgestane Heer.
Zo wordt de naam van de overledene verbonden met de naam van Christus. We geloven dat hij/zij bij de Heer is. Maar ook al geloven wij dat zij geborgen zijn in de palm van Gods hand, we missen hen wel in het hier en nu. Dat gemis kan een blijvend litteken veroorzaken. Toch overwint altijd de hoop, omdat wij leven van het licht van Pasen. Zo heeft deze kerkelijke ´oudejaarsdag´ iets dubbels in zich. We kijken achterom, maar ook vooruit. Ondanks de mensen die we missen kijken we hoopvol vooruit.
Dat we hoopvol vooruit kunnen kijken, is omdat het na oudejaarsdag altijd weer nieuwjaarsdag wordt. Dat vieren we in de kerk een week later, op de eerste zondag van Advent. Dan begint het nieuwe kerkelijke jaar. Het nieuwe kerkelijke jaar begon op zondag 30 november. Ook symbolisch: voordat de langste nacht nog moet komen, verwachten wij al een nieuw begin. De eerste zondag van Advent, lazen we uit Jesaja 11. Een tekst die vol stond van hoop. We lazen dat er uit de stronk van Isai, dus uit het geslacht van David, Iemand komt die het volk zal redden. Het boek Jesaja is lang geleden, ruim voor de geboorte van Jezus, geschreven. Het waren duistere tijden. Toch wordt er gehoopt op een dag dat er duurzame vrede is. Een prachtig visioen wordt beschreven wanneer de nazaat van David verschijnt.

6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.
7 Een koe en een berin grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw eet stro, net als een rund.
8Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

Ja, je moet goed kijken. En het wachten op die dag valt niet mee. Christenen hebben Jezus herkend als de Messias uit het geslacht van David die vrede brengt. Zijn komst in de wereld maakt veel goed. Niet voor niets is één van zijn namen Immanuel: God met ons. Op de eerste zondag van Advent, nieuwjaarsdag in de kerk, werd de eerste adventskaars aangestoken. Dit deden we omdat we Hem verwachten die het Licht is in onze duisternis.
Oudejaarsdag en nieuwjaarsdag doen ons vol verlagen uitzien naar de dag dat Hij komt. Vol verwachting klopt ons hart…

Kom tot ons, de wereld wacht,
Heiland, kom in onze nacht.
Licht dat in de nacht begint,
kind van God, Maria’s kind.
(Lied 433:1)

ds. Jan-Willem Leurgans